Waarom ik je nauwelijks app

Ik haat WhatsApp. There, I said it. Hoewel ik een groot fan ben van digitaal werken, haat ik WhatsApp. In zoverre, als het gaat om oprecht contact. Om dingen te regelen, even kort wat af te spreken of een link of fotootje te sturen, is het een prima medium. Snel, toegankelijk en de ontvanger leest het in zijn of haar eigen tijd. Heeft het haast, dan bel ik, maar anders is het een berichtje tikken en klaar.

Maar voor echte gesprekken heeft WhatsApp alle charme verloren. Ondanks mijn gevoeligheid en intuïtie waardoor ik veel uit de getypte woorden kan lezen, bots ik telkens weer keihard tegen de letters op het scherm. Ik mis stem, ik mis gezicht, ik mis non-verbaal, ik mis mens.

Toen WhatsApp er net was, kon ik uren praten. Uren die bij teruglezen in 10 minuten tekst waren gestopt. Toch maakte al dat kijken naar ‘…aan het typen’ en de mogelijkheid om je woorden zorgvuldig te kiezen het tot een boeiende manier van interactie. De gesprekken ging wel wat dieper soms, maar de laatste jaren begon het steeds meer te wringen.

Ik kwam steeds dichter bij mezelf en daar waar het mijn diepste kwetsbaarheid raakt, voldoen getypte woorden ineens niet meer. Taal vervormt en beknot en legt daardoor een sluier over het meest wezenlijke van intermenselijk contact. Zonder stem, zonder ogen, zonder tastbare aanwezigheid laat je je gevoelens tot stof verwaaien en weet je niet welk deel aan de andere kant van het scherm neerdwarrelt.

En dus blokkeer ik, vindt de heelheid van mijn gevoel zijn weg niet en sneuvelt echt contact op de barrière van het telefoonschermpje. Als een soort versterking van mijn muurtje dat ik zo graag afgebroken wil zien.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *